Jaco, Jaco, wat zijn we blij © Jaco Klamer www.klamer-staal.nl

Jaco, Jaco, wat zijn we blij

Over één, hooguit twee jaar kom ik in Kawagit terug, dacht de tienjarige Jaco Klamer toen hij in 1973, in de binnenlanden van Irian Jaya met een bundeltje bijlen en een boog in het watervliegtuig stapte om naar het verre koude Nederland te gaan. Die één of twee jaar werden drieëntwintig jaar. Drieëntwintig jaar van dromen over een reis naar zijn geboortedorp Kawagit. Keer op keer bezocht Jaco de reisbureaus om de reisroute uit te stippelen en de kosten te laten berekenen. Karel, van het PTT-reisbureau, bleef geduldig en zocht zelfs vrolijk naar mogelijkheden om Irian Jaya via de andere kant van de wereld, via Amerika, te bereiken. Maar de reis naar Kawagit bleef een droom. En hoe langer de reis werd uitgesteld, hoe hoger de drempel werd.

Samen gezwommen in de kali Ka

Maar Irian Jaya lokt. Op 16 december 1996 zet Jaco weer voet op Irianese bodem. De spanning stijgt. Hoe zal Jaco Kawagit aantreffen? Zal hij het dorp, dat in 1958 door zijn vader werd geopend, nog herkennen? Leven oude bekenden nog en ben je wel welkom als je je drieëntwintig jaar niet hebt laten zien? Loopt de reis naar de andere kant van de wereld uit op een teleurstelling?
Kawagit ligt midden in het oerwoud. Op oudejaarsdag landt Jaco met het watervliegtuig op de rivier de Digul. Vroeger was de Digul een snelstromende rivier met grindbanken. Nu volgt de hoofdstroom een andere route, en is de rivier bij Kawagit veranderd in een modderstroom. De piloot moet oppassen dat zijn toestel niet vast komt te zitten. Het watervliegtuig wordt naar de kant getrokken. Jaco zakt, gekleed in lange broek, tot z’n knieën in de modder. Dit is Kawagit. De bagage wordt uit het vliegtuig getrokken, handen worden geschud. Mensen lachen, mensen huilen. ‘Jaco, Jaco.’
Condoradus houdt een toespraak: Welkom in Kawagit Jaco. ,,Wij zijn blij dat je in Kawagit terugkomt. Wij wisten niet of we je ooit zouden terugzien. Weet je nog dat we samen hebben gezwommen in de kali Ka? Kijk, hier zijn nog meer vrienden: Maret, Erents en Willem. Wij hebben een plan: we komen je vanmiddag ophalen om samen de plekken te bezoeken die je nog kent van vroeger, en we gaan bij oude bekenden langs. Iedereen wil je ontmoeten. Jaco, Jaco, wat zijn we blij. We zijn blij dat je er bent.”

(…)

Gráág tot ziens!

Dan hoort Jaco een aanzwellend gebrom in de lucht. Het vliegtuig komt. Jaco neemt afscheid. Marius komt aanrennen, buiten adem, zijn dunne, blote benen in z’n zevenmijlslaarzen. Tot weer ziens Marius, doe je de groeten aan Julita? Het was goed jullie te ontmoeten en jullie verhalen te horen. Het maakte grote indruk.
Dag Condoradus, hartelijk dank voor het gidsen, voor je welkom-speech en je grapjes. Ja Maret, ik wil graag nog eens terugkomen in Kawagit, wat denk je van het jaar tweeduizend? Petrus, bedankt voor de grote tros bananen, voor je hartelijke ontvangst. Ik ben blij dat ik in Kawagit ben geweest en dat ik jullie heb gezien en gesproken. Ja, tot ziens. Gráág tot ziens.

Orang Kawagit

Jaco waadt door de blubber en stapt in het watervliegtuig. De piloot wil weg. Mensen drommen samen. ,,Jaco, Jaco’’, gonst het. ,,Jaco.’’ Een laatste foto. Het vliegtuig wordt van de kant geduwd. ,,Jaco, Jaco.’’ Het vliegtuig rent over de Digul, water spat op, armen gaan de lucht in: tot ziens!
Het afscheid is moeilijk. De piloot vliegt nog twee extra rondjes boven Jaco’s geboortedorp. De mensen in Kawagit zullen wel denken: Jaco is een echte ‘orang Kawagit’. Als je er geboren bent, wil je er altijd naar terug. En nu heeft hij alwéér zo’n moeite om uit Kawagit te vertrekken, nèt als vroeger.

 

Lees ook: Knokkelgroet op Papoea

Of kijk: Varkens hebben geen verstand en Pret op Papoea